Wie betaalt het onderwijs

Onderwijs is een kostbare aangelegenheid. Wie betaalt de schoolgebouwen, de personeelskosten en de leermiddelen? In de zeventiende en de achttiende eeuw moesten schoolmeesters zelf voor hun schoolgeld zorgen: leerlingen moesten per vak een bepaald bedrag betalen. Schoolmeesters konden hier niet van leven en probeerden daarom extra inkomsten te verkrijgen met bijvoorbeeld het versnijden van pennen, het uitoefenen van kerkelijke functies (koster, voorzanger) of als belastingophaler.

In de Onderwijswet van 1801 werd gesteld dat de man (en wat later ook de vrouw) voor de klas een behoorlijk inkomen moest ontvangen waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien en dat schoolgebouwen en leermiddelen aan wettelijke vereisten dienden te voldoen. De gemeentelijke overheid droeg in veel gevallen de zorg voor de gebouwen en de provinciale overheid gaf geld voor de bouw van een nieuwe school.

In het midden van de negentiende eeuw gingen steeds meer kinderen naar school, waardoor de onderwijskosten voor gemeenten en de overheid stegen; vooral de gebouwen, die aan allerlei wettelijke eisen moesten voldoen, waren een structurele kostenpost. Door de lager onderwijswet van 1871 werden de onderwijsuitgaven – door salarissen, pensioenvoorzieningen en wachtgeldregelingen – nog hoger. Als gevolg van de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs in 1917 groeide de onderwijsbegroting in de twintigste eeuw uit tot een ingewikkelde overheidspost, waaraan steeds meer ambtenaren meewerkten.

Tegenwoordig kent het onderwijs de zogenaamde lumpsumbekostiging: besturen en instellingen in het primair, voortgezet, beroeps- en universitair onderwijs ontvangen van de overheid een vast budget voor alle kosten. Naast overheidsbekostiging kunnen scholen ook een vrijwillige financiële ouderbijdrage (schoolgeld) vragen. De hoogte van dit bedrag wordt vastgesteld door het schoolbestuur. Met dit geld financieren scholen zaken als schoolreisjes, schoolzwemmen, museumbezoek en dergelijke. In het hoger en universitair onderwijs moeten studenten collegegeld betalen. In het middelbaar beroepsonderwijs betalen studenten les- en cursusgeld.

Uitgelicht

Contractactiviteiten in het v.o. en beroepsonderwijs; wijziging W.v.o. en Wet op het leerlingwezen

Advies van de Onderwijsraad van 26 maart 1987: Contractactiviteiten in het v.o. en beroepsonderwijs; wijziging W.v.o. en Wet op het leerlingwezen.

Publiek en Privaat

Advies van de Onderwijsraad van 9 oktober 2001: Publiek en Privaat. Mogelijkheden en gevolgen van private middelen in het publieke onderwijs.

Wetsontwerp inzake ouderbijdragen, sponsorgelden en stichtings- en opheffingsnormen

Advies van de Onderwijsraad van 12 maart 1996: Wetsontwerp inzake ouderbijdragen, sponsorgelden en stichtings- en opheffingsnormen.

Bekostiging hoger onderwijs

Advies van de Onderwijsraad van 2 september 2003: Bekostiging hoger onderwijs.

Het onderwijs in Nederland; Verslag over het jaar 1948

Inspectie van het Onderwijs: Klacht van een schoolopziener over de gebrekkige financiële middelen die aan het onderwijs worden toegekend

Verslag nopens den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden over 1816-1840

Inspectie van het Onderwijs: Overzicht van de rijksuitgaven aan het onderwijs in 1822