Toetsen en Examens

Bij een examen of een toets worden de kennis en de vaardigheden van een scholier of een student schriftelijk, mondeling of praktisch onderzocht. De westerse samenleving hecht veel waarde aan toetsen en examens: met een diploma, het bewijs dat een opleiding met goed gevolg is afgelegd en afgesloten, kan men aan een vervolgopleiding beginnen of een bepaald beroep uitoefenen.

Primair onderwijs
Voor de toelating tot de middelbare scholen werden in 1928 de ‘kinderexamens’ ingesteld. Veel onderwijzers vonden de toelatingsexamens voor gymnasium en de hogere burgerschool (H.B.S.) op z’n minst merkwaardig. In de brochure De examen-Idioot bekritiseerde de onderwijzer en politicus Theo Thijssen (1879-1943) deze examens, die hij als ‘een monument van dwaasheid’ betitelde – producten van ‘pennewipperige schoolmeesters’. Onnodige geschiedenisweetjes, ingewikkelde rekenopgaven en onmogelijke dictees voor 12-jarige kinderen: ‘Welnu, de kinderexamens van 1928 hebben de fout gehad, dat er veel te veel, en steriele, onnutte kennis is gevraagd; maar bovendien, en dat is de àllergrootste fout geweest, de vorm der opgaven was in doorsnee zodanig, dat alleen een imbecil er zich niet voor schamen zou.’ Thijssen pleitte in 1928 voor directe afschaffing van de kinderexamens: er diende, zo schreef hij, een nieuwe ídeale ‘selektie-methode’ te worden gevonden.

Pas veertig jaar later, in 1968, werd de Cito-toets ingesteld (Cito: Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling). De Amsterdamse hoogleraar psychologie Adriaan de Groot (1914-2004) is de grondlegger van de Cito-toets. Hij reisde naar de Verenigde Staten om bij de Educational Testing Service van de Princeton University de techniek van de zogenaamde achievement-tests (schoolvorderingentests) te bestuderen. De Groots rapport naar aanleiding van deze Amerikaanse studiereis, Testmethoden ten dienste van het onderwijs (1958), is de blauwdruk voor de huidige Citotoets.

Vanaf 1968 bestaat de toets geheel uit meerkeuzeopgaven. In 1969 werd de toets bij ongeveer 35.000 leerlingen in en buiten Amsterdam afgenomen. De Amsterdamse Schooltoets werd in 1970 overgenomen door Cito. De naam veranderde in Schooltoetsen Basisonderwijs. In 1976 werd weer een naamswijziging doorgevoerd die tot op heden gebruikt wordt: Eindtoets Basisonderwijs. Vanaf 1970 wordt in de laatste klas van veel Nederlandse basisscholen de Cito-toets afgenomen met vragen over onder andere rekenen, begrijpend lezen, natuuronderwijs, aardrijkskunde en geschiedenis. Deze toets groeide uit tot een landelijke test en is tegenwoordig bij ouders en kinderen gevreesd.

De bedoeling van de zogenaamde Eindtoets Basisonderwijs was en is nog steeds om zo objectief mogelijk de kennis van de leerlingen uit groep acht – vroeger de zesdeklassers – te meten. Met de uitkomst van de Citotoets wordt bepaald welk schooltype (beroeps- of middelbaar onderwijs, havo, vwo of gymnasium) het beste bij de leerling past. In 1970 namen ongeveer 42.000 leerlingen deel aan deze toets. Dat aantal lag in 1980 rond de 90.000. Dit aantal ontwikkelde zich in 1990 naar de 100.000. In 2007 werd de toets bij circa 160.000 leerlingen afgenomen.

Voortgezet onderwijs
De staatsman Rudolf Thorbecke(1798-1872) was een tegenstander van toelatings- en overgangsexamens, maar hij was wel van mening dat een examen noodzakelijk was als de maatschappij garanties nodig had dat een leerling tot ‘zelfstandige denkarbeid’ in staat was. Wat betreft de H.B.S. werden er vanaf 1866 buiten de scholen om commissies ingesteld die examens afnamen en diploma’s verleenden.

Binnen politieke en pedagogische kringen is vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw aanhoudend gediscussieerd over de wijze waarop examens afgenomen zouden moeten worden, wat de eindtermen zijn en ook welke vakken geëxamineerd zouden moeten worden. De invoering van het Schoolexamen in 1920 bijvoorbeeld schreef voor dat aan elke school leraren uit de hoogste klassen zouden optreden als leden van de eindexamencommissie. Naast de directeur, die als voorzitter optrad, werden er ook ‘rijksgecommitteerden’ aangesteld. Het idee achter de Schoolwet was dat de leraren zelf het beste in staat zouden zijn te oordelen over de bekwaamheden van hun leerlingen.

De Mammoetwet, ingevoerd in 1968, bepaalde dat naast de schoolonderzoeken (SO) per vak ook een Centraal Schriftelijk Eindexamen (CSE) zou plaatsvinden; SO en CSE bepalen ieder voor 50% het eindcijfer. Toetsen en/of examens worden in het gehele onderwijs afgenomen: de lagere school, in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en aan de universiteit.

Het CSE en de Cito-toets zijn tegenwoordig jaarlijkse nieuwsitems: examenvrees en Cito-stress worden in de media breed uitgemeten. Thorbecke en Thijssen zouden hiervoor waarschijnlijk hun neus hebben opgehaald: toetsen en examens zijn slechts een middel om te bepalen of een leerling zich de kennis en vaardigheden van een bepaalde opleiding eigen heeft gemaakt. Het mediacircus eromheen leidt alleen maar af.

Uitgelicht

Ontwerp eindexamenbesluiten l.h.n.o., l.e.a.o., l.m.o.

Advies van de Onderwijsraad van 12 februari 1969: Ontwerp eindexamenbesluiten l.h.n.o., l.e.a.o., l.m.o.

Ontwerp-Examenbesluit m.b.o.

Advies van de Onderwijsraad van 8 september 1989: ontwerp-Examenbesluit m.b.o.

Zeker Weten. Leerstandaarden als basis voor toegankelijkheid

Advies van de Onderwijsraad van 6 oktober 1999: Zeker Weten. Leerstandaarden als basis voor toegankelijkheid.

Examinering in ontwikkeling

Advies van de Onderwijsraad van 21 november 2002: Examinering in ontwikkeling. Een ontwikkelingsperspectief voor examens in het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs.

Wat scholen toevoegen

Advies van de Onderwijsraad van 14 augustus 2003: Wat scholen toevoegen. Instumenten voor de bepaling van de toegevoegde waarde van het basisonderwijs.

Verslag van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden over 1883-1884

Inspectie van het Onderwijs: Over de tegenvallende resultaten van de examens voor hoofdonderwijzers
close