Schooluitval

Van schooluitval of voortijdig schoolverlaten spreken we wanneer leerlingen van school gaan voordat ze klaar zijn met hun opleiding. Dit is een verschijnsel van alle tijden en heeft nadelige gevolgen voor zowel de leerling als voor de maatschappij.

De invoering van de leerplicht in 1901 veroorzaakte praktische problemen. Veel ouders waren er niet altijd van overtuigd dat regulier onderwijs goed was voor hun kroost. Zoons en dochters werden thuisgehouden om tijdens de oogst op het land te werken, huishoudelijke karweitjes op te knappen of de koeien te melken. De spanning tussen werk en school was hardnekkig, ondanks de strenge aanpak van de overheid. Uiteindelijk slaagde men er wel in de meeste kinderen tenminste lagere school te laten volgen.

De eisen van de werkvloer veranderden in de loop van de eeuw en lagere school was voor de meeste beroepen onvoldoende voorbereiding. Daarom werd het streven om kinderen na de lagere school ook een beroepsvorming te geven. Dat streven resulteerde in een verruiming van de leerplichtwet. En in een nieuwe inrichting van het onderwijs om de overgang van lagere school naar voortgezet onderwijs voor iedereen mogelijk te maken. De nieuwe inrichting werd geregeld in de Mammoetwet.   

Een van de doelen van de Mammoetwet, die in 1968 werd ingevoerd, was de schooluitval terug te dringen. De wet wilde de doorstroming tussen de schooltypen verbeteren en ook kinderen uit de ‘lagere’ sociale klassen meer kansen bieden. Als leerlingen makkelijker konden overstappen naar een ander schooltype binnen hun scholengemeenschap (bijvoorbeeld van atheneum naar havo) dan zouden ze minder snel falen en de school verlaten. De wet had inderdaad enig effect, maar toch bleek in de jaren negentig, dat nog altijd zo’n tien procent van de leerlingen de opleiding niet voltooide, vaak na een eerdere periode van spijbelen.

In 1994 kwam er daarom een herziening van de leerplichtwet die de scholen verantwoordelijk maakte voor de eigen schooluitval. Daardoor ontstonden zorgcomités voor maatschappelijk werk en jeugdhulpverlening. In deze tijd werd ook gewerkt aan de verbetering van de sfeer op de scholen en de verlevendiging van de leermiddelen. Het is de school die als eerste het spijbelen moet signaleren om daarna actie te ondernemen. De lichte gevallen kunnen worden opgelost met begeleiding en later eventueel met straf, bijvoorbeeld nablijven, strafwerk of schorsing. Verder moeten natuurlijk de ouders worden ingelicht. Deze kunnen zelf hun kind op zijn of haar gedrag aanspreken. In een goed gesprek kunnen wellicht verborgen redenen naar voren komen (zoals pesten, of een niet verwerkte echtscheiding).

In 2000 werd door de Europese Unie een agenda opgesteld die de rol van Europa als kenniseconomie moest bestendigen. Een van de onderdelen van deze Lissabon doelstellingen was het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters. Deze doelstelling werd door het ministerie van Onderwijs vertaald in een streven het aantal vsv-ers terug te dringen van 70.000 in 2005 naar 35.000 in 2010. Om dit te bereiken moest dreigend schooluitval in een vroegtijdig stadium gesignaleerd worden en op een juiste wijze worden ingegrepen om de dreiging weg te nemen. Dit uitgestippelde beleid bleek buitengewoon doeltreffend. In 2010 was het aantal vsv-ers gedaald onder de 35.000.

Uitgelicht

Kabinetsnotitie voortijdig schoolverlaten

Advies van de Onderwijsraad van 21 april 1993: Kabinetsnotitie voortijdig schoolverlaten.

Tellen en sturen. Advies over het Plan van aanpak Voortijdig Schoolverlaten

Advies van de Onderwijsraad van 27 september 1999: Tellen en sturen. Advies over het Plan van aanpak Voortijdig Schoolverlaten.

Een succesvolle start in het hoger onderwijs

Advies van de Onderwijsraad van 10 januari 2008: Een succesvolle start in het hoger onderwijs.

Het onderwijs in Nederland; Verslag over het jaar 1948

Inspectie van het Onderwijs: Over schoolverzuim en de straffen die daarvoor zijn uitgedeeld. Maar ook over intiatieven om samen met de ouders tot terugdringing van het verzuim te komen
close