Schaalgrootte

Veel leerlingen onder één dak, fusies van scholen en directeuren die niet zelf voor de klas staan maar een school managen, zijn tegenwoordig vanzelfsprekende zaken in het onderwijs. In de zeventiende en de achttiende eeuw was het geen bijzonderheid wanneer een klasje tien of twintig leerlingen groot was.

Sinds de Verlichting en de Franse Revolutie is het onderwijs sterk veranderd. Tijdens de laatste decennia van de achttiende eeuw probeerden onderwijsvernieuwers het volk via het onderwijs te ‘verheffen’, omdat zij meenden dat de welvaart achteruit was gegaan door een gebrek aan degelijk onderwijs. Ook was er geleidelijk aan industriële bedrijvigheid ontstaan, waardoor mensen steeds meer scholing nodig hadden om hun taken te kunnen verrichten. Zo kwam men dan op het idee van volksonderwijs.

Door deze veranderingen was het efficiënter om klassikaal les te gaan geven, om zo het onderwijs aan grotere groepen kinderen mogelijk te maken. Dit vroeg ook om klassikale leermiddelen, zoals schoolborden, leesmethoden die voor in de klas stonden, zoals het letterrad van J.H. Nieuwold (1737-1812), de letterkast van P.J. Prinsen (1777-1854) en aan het begin van de twintigste eeuw de leesmethode "Aap noot mies" van de onderwijzer M.H. Hoogeveen (1862-1941).

In de loop van de negentiende eeuw nam zowel de bevolking als de industrialisering toe. De klassen in de steden werden erg groot, maar anderzijds was er nog sprake van kinderarbeid, waardoor niet alle kinderen naar school gingen. Door de industrialisering ontwikkelde zich in de tweede helft van de negentiende eeuw het beroepsonderwijs. 

In de twintigste eeuw vond er schaalvergroting plaats, vooral na de invoering van de Mammoetwet in 1963. Deze wet trad in 1968 in werking en had als grondgedachte dat elke leerling zowel een algemene als een beroepsopleiding zou moeten volgen, maar ook dat er schaalvergroting in het onderwijs moest plaatsvinden, omdat dat goedkoper en efficiënter zou zijn. Daarnaast werd de vraag naar onderwijs ook groter: na de Tweede Wereldoorlog nam de deelname aan het onderwijs enorm toe en leerlingen en studenten studeerden langer.

De regionale opleidingencentra (ROC’s) die in de jaren negentig ontstonden, zijn eveneens een voorbeeld van schaalvergroting. Ze zijn ontstaan als gevolg van fusies van diverse mbo-instellingen. Ruim vijfhonderd mbo-instellingen werden samengevoegd tot ongeveer vijftig grote regionale opleidingencentra. Hetzelfde vond plaats bij de hbo-instellingen. Instellingen die willen fuseren worden sinds kort aan een fusietoets onderworpen. De fusie moet echt nodig zijn en leraren, ouders en leerlingen of studenten, moeten het eens zijn met de fusie. De minister moet vervolgens goedkeuring geven.

De fusietoets wordt gezien als een eerste maatregel om nieuwe fusies kritisch te bekijken en te bevragen: Is schaalvergroting doelmatig voor het onderwijs? Scholen en besturen moeten in hun organisatie de 'menselijke maat' in acht nemen. Dit houdt in dat ze hun instelling overzichtelijk moeten houden en de lijnen van besluitvorming kort moeten houden. De laatste tijd gaan er stemmen op om de schaal in het onderwijs weer te verkleinen, omdat in de grote schaal de menselijke maat verloren lijkt te gaan.

Uitgelicht

Groepsgrootte en kwaliteit

Advies van de Onderwijsraad van 5 februari 1998: Groepsgrootte en kwaliteit.

Variëteit in schaal

Advies van de Onderwijsraad van 10 oktober 2005: Variëteit in schaal.

De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs

Advies van de Onderwijsraad van 29 november 2008: De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs. Waarborgen voor keuzevrijheid en legitimatie.
close