Onderwijskansen

Onderwijskansen zijn maatregelen ter verbetering van onderwijsresultaten van risicogroepen, dus van leerlingen die op een bepaalde wijze gehinderd worden bij het benutten van hun kwaliteiten. Het bieden van kansen door de overheid is een vorm van achterstandsbeleid.

Het onderwijsachterstandenbeleid of onderwijsvoorrangsbeleid – leerlingen met een achterstand krijgen soms op een bepaalde manier voorrang – heeft tot doel leerachterstanden te voorkomen. Wanneer achterstanden onverhoopt toch ontstaan, is het de bedoeling deze weer in te lopen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw experimenteerden onderwijsvernieuwers met de middenschool, een schooltype bestemd voor alle kinderen tussen de twaalf en vijftien jaar, dat het standenonderwijs definitief moest doorbreken. Ongeacht achtergrond en capaciteit doorliepen leerlingen hetzelfde programma. Hierdoor kon bovendien de beroepskeuze uitgesteld worden om later een betere keuze te maken. Een ander experiment was het project Onderwijs Sociaal Milieu (OSM), dat eveneens diende om de leerachterstand van kinderen uit sociaal zwakke milieus op te heffen. Alweer betrof het vaak een taalachterstand.

Tegenwoordig zijn het de scholen en de gemeenten die achterstanden van leerlingen moeten oplossen. Hun onderlinge afspraken leiden tot voorschoolse en vroegschoolse educatie (VVE). Het oplossen van achterstanden gebeurt nu tevens door middel van schakelklassen: klassen voor leerlingen waarvan door Burgemeester en Wethouders is vastgesteld dat ze een grote achterstand in de Nederlandse taal hebben. Op speciaal daartoe aangewezen scholen krijgen de leerlingen activiteiten ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal om tot een betere doorstroming in het onderwijs te komen. Verder worden achterstanden tegengegaan door huiswerkbegeleiding.

Scholen moeten nu passend onderwijs geven, dat wil zeggen onderwijs op maat. De bedoeling is kinderen de beste kansen op onderwijs te bieden door het onderwijs op ieder kind afzonderlijk af te stemmen. Een middel om min of meer gelijke onderwijskansen te bieden is differentiatie. Hiermee bedoelt men de manier waarop de leerkracht omgaat met de verschillen tussen zijn leerlingen. Men spreekt dan ook wel van ’differentiatie binnen klassenverband. De leraar speelt in op de verschillen om zo tot een voor alle leerlingen ongeveer gelijke onderwijsopbrengst te komen. Het is dus een pedagogisch antwoord op de specifieke onderwijsbehoefte van iedere leerling. Een ander verschijnsel is het begrip uitgebreid onderwijs, waaronder wordt verstaan dat een school gebruik maakt van een extra aanbod om de leerling de wettelijke vereisten te laten halen, deze zijn talenten breder te laten ontwikkelen en een breder perspectief te bieden op arbeid en samenleving.

Wanneer leerlingen een beperking hebben die enigszins hanteerbaar is, lichamelijk, zintuiglijk, psychisch of verstandelijk, dan komt de Nederlandse overheid dezen tegemoet met een regeling voor leerlinggebonden financiering, het zogenaamde rugzakje. De regeling bestaat om te voorkomen dat ouders hun kind naar het speciaal onderwijs (voor kinderen met een échte beperking) moeten sturen, terwijl het met enige aanpassing van het programma goed op een reguliere school terecht zou kunnen.

Uitgelicht

Concept ontwerp onderwijsvoorrangswet

Advies van de Onderwijsraad van 16 maart 1984: Concept ontwerp onderwijsvoorrangswet.

Landelijk beleidskader onderwijsvoorrang

Advies van de Onderwijsraad van 2 april 1993: Landelijk beleidskader onderwijsvoorrang.

Kabinetsnotitie voortijdig schoolverlaten

Advies van de Onderwijsraad van 21 april 1993: Kabinetsnotitie voortijdig schoolverlaten.

Wat het zwaarst weegt. Een nieuwe aanpak voor het onderwijsachterstandenbeleid

Advies van de Onderwijsraad van 20 november 2001: Wat het zwaarst weegt. Een nieuwe aanpak voor het onderwijsachterstandenbeleid.
close