Met de plak en de roe

Het wettelijk verbod op lijfstraffen

Als een van de eerste landen verbood Nederland al in 1820 lijfstraffen op school. Niet alle onderwijzers en ouders waren direct overtuigd. Strenge tucht was volgens hen nu eenmaal soms noodzakelijk om een kind te disciplineren en het zijn zonden te laten inzien.

Orde

Pechvogels en ezelsoren

Als de schoolmeester vond dat je niet braaf was geweest kreeg je de pechvogel naar je toe gegooid. Als je deze bij de onderwijzer in kwam leveren kreeg je als leerling een flinke pets met de plak.

Kinderen die “domme” vragen stelden of steeds weer dezelfde fouten maakten, moesten soms ezelsoren dragen. Zo kon iedereen zien dat deze leerlingen dom waren geweest.

Een andere bekende straf was het schandbord. Leerlingen moesten dit zware bord om hun nek hangen, zodat iedereen kon zien dat ze iets verkeerds hadden gedaan.

Het viel voor onderwijzers niet altijd mee om orde te houden in de grote lokalen, vol met kinderen van verschillende leeftijden. De lijfstraffen werden dan ook gebruikt om te disciplineren en om de rust en orde in de klas te bewaren.

Leerlingen kregen regelmatig een tik op de vingers of een draai om de oren, of werden met de roe geslagen op hun blote billen. Daarbij werd altijd goed in de gaten gehouden of de rest van de klas het ook zag. De gestrafte leerling schaamde zich dan en het was de bedoeling dat de andere kinderen het niet waagden ook ongehoorzaam te zijn.

Lijfstraffen werden vaak gerechtvaardigd vanuit de Bijbel, bijvoorbeeld door het volgende citaat: “Onthoud je kind geen afstraffingen; als je het slaat met de roede zal het er niet dood aan gaan” (Spreuken:23- 13). Kinderen slaan hoorde nu eenmaal bij de opvoeding.

Kritiek

Door de verlichting begon men anders te denken over de lijfstraffen. Zonder de wrede straffen en met opvoeding en goed onderwijs zou er veel meer bereikt worden. Nutsman Jacob Hendrik Floh (1758-1830) schreef over geschikte straffen voor ongehoorzame leerlingen. In plaats van het hanteren van de roe dienden onderwijzers stoute kinderen af te zonderen, bijvoorbeeld door ze in de hoek of op de gang te zetten. Alleen als de leerling zwaar de fout in was gegaan was tucht toegestaan, vond Floh.

Ondanks het landelijk verbod in 1820 op lijfstraffen zouden er nog lang leraren zijn die zich niets van het verbod aantrokken. Door de onderwijswetten en de komst van de schoolopzieners werd echter de controle op de lijfstraffen opgevoerd. Ook de invoering van het klassikale onderwijs hielp. Doordat er meer structuur was in de klas, was het voor onderwijzers gemakkelijker orde te houden. Het strenge straffen was daardoor steeds minder nodig.