Leraren

Een leraar, vroeger vaak ‘onderwijzer’, – en in de dagelijkse omgang ‘juf’ of ‘meester’ genoemd – draagt kennis en vaardigheden over, stimuleert en inspireert, stelt vragen en begeleidt leerlingen in hun persoonlijke ontwikkeling. Er is altijd sprake van een wisselwerking tussen leerling en leerkracht. De leerkracht is daarvoor goed uitgerust met een speciale opleiding. Dit is echter niet altijd zo geweest.

In vroegere eeuwen was het met de kwaliteit van het onderwijs vaak slecht gesteld, omdat de mensen voor de klas niet altijd voor hun vak waren opgeleid. Sommigen konden amper lezen of schrijven en hadden allerlei bijbaantjes. In 1806 deed de overheid een eerste poging om de kwaliteit van het onderwijzend personeel te verbeteren. Iedereen die voor de klas wilde werken, moest voortaan een examen afleggen om minimaal de akte van de vierde rang te behalen. Zonder deze akte mocht men niet lesgeven. Daarna kon men verder leren om een akte van de derde, tweede of eerste rang te halen. Al eerder, namelijk aan het eind van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw werden de eerste kweekscholen in Amsterdam, Groningen en Rotterdam door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgezet. In 1816 stichtte de overheid een kweekschool in Haarlem.

Tegenwoordig is een leraar bevoegd en bekwaam om les te geven na het volgen van een opleiding aan de pedagogische academie voor het basisonderwijs (pabo) of een lerarenopleiding voortgezet onderwijs aan een hogeschool of een universiteit. In het basisonderwijs geeft de leraar les in allerlei vakken. Soms is er voor een speciaal vak een vakleerkracht, bijvoorbeeld voor gymnastiek of muziek. In het voortgezet onderwijs geeft de docent enkel het vak waarvoor hij zijn onderwijsbevoegdheid heeft. In het middelbaar en hoger beroepsonderwijs worden ook leerkrachten uit de praktijk geworven, die de leerlingen en studenten de kneepjes van het vak bijbrengen.

Wie zijn die mensen die leraar worden? In de middeleeuwen waren het vaak mensen die een kerkelijke functie vervulden. In de zeventiende eeuw waren het burgers die door het stadsbestuur aangesteld werden tot schoolmeester Begin twintigste eeuw was de onderwijzer veelal een beroep met een zekere maatschappelijke status, zeker in plattelandsgemeenten: ouders en leerlingen hadden ontzag voor de onderwijzer. Tegenwoordig wordt vaak gezegd dat onderwijs geven een roeping is. Ook staat de kwaliteit van de opleiding vaak ter discussie en wordt onderzocht hoe het vak aantrekkelijker kan worden gemaakt.

De laatste jaren is er sprake van ‘feminisering’ van het onderwijs: steeds meer vrouwen staan voor de klas, terwijl het aandeel mannelijke leerkrachten – zowel in het primair als het voortgezet onderwijs – afneemt. Sommige onderwijskundigen en pedagogen zien dit als een gevaar, omdat vrouwelijke leerkrachten jongens niet goed zouden aanvoelen, waardoor deze leerproblemen krijgen. De gevolgen van de feminisering van het onderwijs worden momenteel wetenschappelijk onderzocht.

Uitgelicht

Maatregelen tot uitbreiding van het aantal leerkrachten bij het lager onderwijs

Advies Onderwijsraad van 16 juli 1920: Maatregelen tot uitbreiding van het aantal leerkrachten bij het lager onderwijs.

Universitaire exameneisen buitenlandse docenten in de moderne talen

Advies van de Onderwijsraad van 18 oktober 1928: Universitaire exameneisen buitenlandse docenten in de moderne talen.

Exameneisen akte bekwaamheid onderwijzer

Advies van de Onderwijsraad van 23 januari 1930: Exameneisen akte bekwaamheid onderwijzer.

Toelating onderwijzers tot universitaire studiën

Advies van de Onderwijsraad van 27 september 1955: Toelating onderwijzers tot universitaire studiën.

Leraarschap is eigenaarschap

Advies van de Onderwijsraad van 12 september 2007: Leraarschap is eigenaarschap.
close