Jacob Cats en Hieronymus van Alphen

De moraal van het opvoeden

Het onderwijs kreeg in de vroegmoderne tijd naast kennisoverdracht ook steeds meer opvoedkundige taken. De werken van Cats en Van Alphen illustreren deze ontwikkeling.

Jacob Cats

Gedichtje van Hieronymus van Alphen

“Mijn leeren is speelen, mijn speelen is leeren.
En waarom zou mij dan het leeren verveelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken,
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
’t Is wijsheid, ’t zijn deugden naar welke ik haak."

 

De werken van ‘Vadertje Cats’ (1577-1660) waren enorm populair in Nederland. Zijn luchtige rijmen spraken veel verschillende mensen aan. Cats schreef niet te ingewikkeld en predikte christelijke, humanistische ideeën die door geen van de religieuze stromingen als te controversieel werden gezien.
 
Cats’ opvattingen over opvoeding lagen in lijn met de ideeën van Erasmus. Zo zag hij kinderen als een onbeschreven blad. Kinderen waren flexibel en buigzaam en werden deugdzame volwassenen als je ze maar de juiste dingen mee gaf. Als het kind toch zondigde, was dat de schuld van de ouders. Met een goede basis binnen het huwelijk konden ouders kinderen de juiste zeden bijbrengen.
 
Cats vond het belangrijk dat kinderen met plezier en door te spelen leerden. Kinderen mochten best gestraft worden, maar hij stond negatief ten opzichte van de lijfstraffen die door sommige onderwijzers werden gegeven.
 
Hieronymus van Alphen
Net als Cats vond Van Alphen dat kinderen het leren vooral ook leuk moesten vinden. In zijn Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen schreef hij versjes speciaal voor kinderen. Zijn werk werd veel gelezen, thuis maar ook op school. Hieronymus geloofde, geïnspireerd door de Verlichting, in de rede. Het kind had een eigen karakter en een eigen natuur. Alleen als het kind doordraafde moest het gecorrigeerd worden met zachte hand. Op deze manier creëerde je leergierige, brave burgers.
Ook de nieuwe nationale staat begon steeds meer interesse te krijgen in het opvoeden van deugdzame burgers. Het onderwijs werd als het ideale middel gezien om goed burgerschap  te ontwikkelen.


De Pruimeboom

Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eieren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
En niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
Ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
Die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen,
Voor aan op het middelpad.
Kom mijn Jantje! zei de vader,
Kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
Nu heeft vader Jantje lief.
Daarop ging Papa aan 't schudden
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
En liep heen op een galop.”