Het puberbrein

Probleemgedrag van alle tijden?

Het fenomeen puber kennen we nog niet zo lang. Pas aan het begin van de twintigste eeuw ziet men jongeren tussen de twaalf en twintig jaar als een aparte groep. Met de toename van de vrije tijd begonnen ook de problemen. Vanaf de Eerste Wereldoorlog kwamen er discussies over de nutteloze tijdsbesteding van jongeren die op hun vrije avonden naar de bioscoop of dancing gingen. Nog erger vond men de jongeren die zomaar wat rondhingen op straat. Niets veranderd toch?

Elite

Het puberbrein

Eveline Crone, ontwikkelings-wetenschapper schreef een boek (Het puberende brein) over pubers en de werking van hun hersenen. Pubers kunnen niet plannen, kunnen de gevolgen van wat ze doen vaak moeilijk overzien en slapen het liefst lang uit. Allemaal punten die te verklaren zijn vanuit het puberbrein, volgens Crone.

Pubers hebben ook positieve kanten. Ze profiteren vaak van een ongeremde portie creativiteit en lef, die hen helpt bij het ontdekken van hun talenten.

Voor de negentiende eeuw kenden alleen de hoogste standen een overgangsperiode van kind naar volwassene. Elitezonen gingen regelmatig na hun studiejaren nog op ontdekkingstocht door Europa om zich cultureel te ontwikkelingen. Jongeren uit de lagere klasse hadden deze mogelijkheid niet. Zij moesten gewoon aan het werk.

Uitbreiding van de leerplicht

Door de invoering van de leerplicht in 1900 konden kinderen ook langer kind zijn. Er werd meer nagedacht over de rol van opvoeding en onderwijs. Na hun twaalfde jaar volgde het grootste gedeelte van de kinderen echter geen onderwijs meer. Dat was een zorgelijke ontwikkeling omdat de arbeidsjeugd na het werk vaak zomaar wat rond hing. Ook de bezoekjes aan het café en de bioscoop werden niet door iedereen gewaardeerd. Velen vonden het maar een nutteloze invulling van de vrije tijd. Er kwam een staatscommissie die onderzoek deed naar tieners. De oplossing zou een vorm van jeugdzorg of jeugdwerk moeten zijn die de jongeren kon begeleiden.

Massajeugd

Er kwam inderdaad een speciale organisatie voor jeugdwerk en een Centrale Jeugdraad, beide gesubsidieerd door de overheid. De pubers bleken alleen lastig te bereiken. Er waren wel georganiseerde jeugdverenigingen, maar het grootste gedeelte van de jongeren trok zijn eigen plan. De leerplicht werd in 1928 verlengd naar dertien jaar, maar daarna had ook het onderwijs geen invloed meer op de tieners.

Vanaf de jaren dertig spreekt men over ‘de puber’. De ontwikkelingspsychologie begon aandacht te krijgen voor de fase van de adolescentie. Men maakte zich vooral zorgen over hun roekeloosheid en hun interesse in seksualiteit. Met name de jongeren uit de lagere klassen waren echte ‘zorgenkindjes’.

Jeugdculturen

Na de Tweede Wereldoorlog verschenen allerlei jeugdculturen: de nozems, de studentenbeweging, de krakers, de punkers. Maar met de leerplicht had de overheid een middel in handen om invloed te kunnen blijven uitoefenen op de pubers. Jongeren verbleven nu langer op school, maar waren nog steeds moeilijk te motiveren. Het plannen van huiswerk, concentratieproblemen, spijbelen en voortijdig schoolverlaten zijn problemen die nog steeds spelen.

Het puberbrein

Door de problemen met pubers werd er inmiddels ook onderzoek gedaan naar het puberbrein. De hersenen van tieners zijn nog volop in ontwikkeling, daarom is plannen lastig en nadenken over de gevolgen van je daden ook. Bovendien zoeken tieners nu eenmaal de grenzen op in hun weg naar zelfstandigheid. Het voortgezet onderwijs, waar jongeren in contact komen met zowel volwassen leraren als hun leeftijdsgenootjes is daarom de perfecte verblijfplaats op weg naar volwassenheid.