Het jonge kind

De vorming van kleuters en peuters

Pedagogen en ouders, iedereen is ervan doordrongen dat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het kind. Ook de overheid heeft daarin haar verantwoordelijkheid genomen.

Bewaarscholen

Matressenscholen

Tot de 19e eeuw waren er verschillende kleinkinderscholen of matressenscholen. Matres was afgeleid van het Franse woord voor schooljuf. Amsterdam alleen al had 378 matressenschooltjes. De schooljuffen op de matressenscholen werkten waren niet opgeleid voor het werken met kleine kinderen. De scholen leken dan ook meer op een bewaarplaats waar kinderen werden gedropt dan op scholen. De matressenscholen waren vaak erg vies, rumoerig en veel geleerd werd er niet.

Moeders zorgden traditioneel voor de kleintjes. In het geval er toch opvang buitenshuis nodig was, konden de kinderen terecht in zogenaamde ‘matressenscholen’. De geboden zorg was er over het algemeen echter niet al te best. Onder invloed van verschillende armenbesturen en andere filantropische instellingen, zoals de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, werden de matressenscholen in de loop van de negentiende eeuw vervangen door bewaarscholen. Om bewaarschoolhouderes te kunnen worden, moest een opleiding worden gevolgd. Ondanks de hervormingen bleef de kwaliteit van het onderwijs en de hygiëne vaak onder de maat.

Fröbel en Montessori

Door Elise van Calcar Schiotling (1822-1904) kwam Nederland vervolgens in aanraking met de ideeën van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel. Fröbel had zich gespecialiseerd in de ontwikkeling van peuters en kleuters. Hij pleitte voor vrij spel voor jonge kinderen en het belang van apart lesmateriaal voor deze doelgroep. De fröbelscholen deden hun intrede in Nederland. Ook op de bewaarscholen werd het Fröbelmateriaal geïntroduceerd. Er kwam steeds meer ruimte voor jonge kinderen om spelend te leren, hoewel ze ook nog veel in de schoolbankjes moesten zitten.

Geïnspireerd door de ideeën van de Italiaanse arts Maria Montessori verdwenen begin twintigste eeuw de schoolbankjes en kwamen er speelhoeken in de klas. Montessori vond dat kinderen zelf het initiatief moesten nemen. Als ze gestimuleerd werden door goede methodes en speciaal ontwikkeld materiaal, zouden ze zich vanzelf gaan ontwikkelen.

Spelen versus leren

De scholing van het jonge kind bleef lange tijd in particuliere handen. De kleuterscholen kwamen pas in 1948 onder controle van de onderwijsinspectie, die de hygiëne, en de kwaliteit van onderwijs, schoolgebouw en lesmaterialen controleerde. Met de Wet op het Kleuteronderwijs (1956) werd de overheid verantwoordelijk voor de financiering. Leidsters waren vanaf nu verplicht een speciaal diploma te behalen.

In 1985 werd de kleuterschool opgenomen in de basisschool. De leerplichtige leeftijd werd verlaagd van 6 naar 5 jaar, maar in de praktijk gaan vrijwel alle kinderen vanaf hun vierde verjaardag naar school. De nog jongere kinderen kunnen terecht in peuterspeelzalen, voorscholen, en kinderopvangcentra.


Fröbel en Montessori

Hoewel Fröbel en Montessori allebei voorstander waren van meer spel in het kleuteronderwijs, zijn er wel degelijk verschillen tussen de twee opvattingen. Op Fröbelscholen ligt het initiatief bij de kleuterleidster, zij bepaalt wat de klas gaat doen en spreekt daarbij de hele groep aan. In het Montessorionderwijs ligt het initiatief meer bij het kind. De leidster observeert en wacht af waar het kind behoefte aan heeft. Bovendien spreekt de kleuterleidster de kinderen individueel aan en niet de hele klas.

 



Peuterspeelzaal

Sinds de jaren ’70 bestaan er peuterspeelzalen. Hier wennen de allerkleinsten, 2- en driejarigen, alvast aan een schoolomgeving. Tegenwoordig worden hier ook al vroeg aan de slag gegaan met taalachterstanden.

Doordat steeds meer vrouwen zijn gaan werken is ook de behoefte aan kinderopvang gegroeid voor kinderen van 0-4 jaar. De Wet op Kinderopvang in 2005 zorgt ervoor dat de kosten van de kinderopvang door ouders, de overheid en de werkgever worden gedeeld.