Het Haneboek

De ontwikkeling van het leesonderwijs

Lezen is van oudsher een van de eerste en belangrijkste vaardigheden die kinderen op school leren. De manier waarop dat gebeurt, is door de tijd heen wel sterk veranderd.

Van Hornbook naar Haneboek

Hornbook

Het Hornbook dankt zijn naam aan het beschermlaagje van hoorn dat over het velletje perkament was gespannen.

Van dit houten plankje waar kinderen mee leerden lezen zijn er maar een paar bewaard gebleven.

De plankjes werden gezien als weinig waardevolle gebruiksvoorwerpen en daardoor gemakkelijk weggegooid.

Het Nationaal Onderwijsmuseum heeft nog een authentiek Hornbook in zijn bezit.

Vanaf de middeleeuwen leerden kinderen lezen met het Hornbook. Het Hornbook was een klein houten plankje waar een velletje perkament op was bevestigd, met meestal op de ene kant de letters van  het alfabet en op de andere kant het Onze Vader.

Vanaf de zestiende eeuw kwam het Haneboek op. Deze was vernoemd naar de haan die vaak voorin stond afgebeeld. Het Haneboek bevatte naast het alfabet teksten als het Onze Vader, de Tien Geboden, gebeden of gedichten. In al deze leesoefeningen stonden echter veel te veel moeilijke woorden. De kinderen begrepen haast niets van wat ze lazen.

Dat kon anders, bedacht Jan Comenius (1592-1670). Hij liet zien hoe belangrijk afbeeldingen waren bij het leren lezen. Comenius introduceerde het aanschouwelijk onderwijs en schreef een leesmethode met bijpassende illustraties.

Van spelmethode naar klankmethode

Een ander probleem was de toen gangbare spelmethode. Het woord boek werd (hardop) gespeld als: bee-oo-ee-kaa. Leerlingen vonden het moeilijk de link te leggen met het hele woord ‘boek’. Toen aan het einde van de achttiende eeuw de spelmethode werd vervangen door de klankmethode was dat dan ook een grote verbetering. De verschillende letters van het woord ‘boek’ werden nu uitgesproken als: b-oe-k. Je spelde het woord boek zoals het ook klonk.

Van aap-noot-mies naar boom-roos-vuur

Er kwamen steeds meer leesmethodes en -middelen. Rond 1900 verschenen de eerste leesplankjes in het onderwijs, zoals Aap-noot-mies, ontworpen door Hoogeveen. Het leesplankje was onderdeel van de analytisch-synthetische methode. Op het leesplankje stonden afbeeldingen met daaronder de bijbehorende woorden. Leerlingen dreunden de woorden klassikaal op. De lettergrepen werden los van elkaar gehaald en weer aan elkaar geplakt: noot werd n-oo-t en weer noot.

In 1963 bedacht de Tilburgse frater Caesarius Mommers vervolgens de methode Veilig leren lezen. Mommers leerde kinderen lezen met hele woorden, maar benoemde afzonderlijke onderdelen van een woord. Klinkers werden bijvoorbeeld voorzien van een ander kleurtje. De eerste woordjes waar de zesjarigen mee leerden lezen, waren jaren boom-roos-vis, een aantal jaar geleden zijn deze vervangen door ik-maan-roos.


Verzuilde leesplankjes

De leesplankjes werden veel gebruikt in de periode dat de verzuiling in Nederland diep geworteld was. Vandaar ook dat er aparte leesplankjes per zuil verschenen. Zo waren er lutherse, katholieke en joodse leesplankjes. Kinderen in Nederlands-Indië kregen les met een Indisch leesplankje.