Het curriculum

De opeenstapeling van schoolvakken

Wat dient de school de leerling precies bij te brengen? In de loop van de eeuwen zijn op deze vraag wisselende antwoorden gegeven, ingegeven door de arbeidsmarkt, nieuwe inzichten, maatschappelijke eisen en schooltypes.

Standen en sekse

Telefoonles

Een nieuw communicatiemiddel in de jaren ’30 was de telefoon. Het opnemen van de telefoon was best ingewikkeld. Tot de jaren ’50 werd je verbonden met telefonistes van de telefooncentrale. Op sommige scholen werd dan ook geoefend in het opnemen van de telefoon. De kinderen werden daarin bijgestaan door een telefoniste van de PTT.

In de vroegmoderne tijd stond het onderwijs vooral ten dienste van de kerk en de vraag van de arbeidsmarkt. De vorming van de nationale staat maakte dat het onderwijs er een nieuwe rol bij kreeg. Scholen moesten nu deugdzame burgers afleveren. Naast lezen, schrijven en rekenen werd er ook veel aandacht besteed aan geschiedenis en aan het aanleren van de juiste normen en waarden. De kerk verloor haar invloed op het onderwijs, de scholing van kinderen moest nu zo neutraal mogelijk zijn.

In de negentiende eeuw werd het Nederlandse onderwijs verder uitgebreid met verschillende onderwijstypen. De overheid regelde in schoolwetten welke vakken verplicht werden. Scholen mochten echter zelf de inhoud van de vakken bepalen. De opkomst van het klassikale onderwijs en de oprichting van de rijkskweekscholen zorgden ervoor dat er steeds meer eenheid in het onderwijsprogramma kwam. Op de confessionele scholen, na 1920 gesubsidieerd door de overheid, was er ook veel aandacht voor religie. Daarnaast ontstonden er bijzondere scholen, als het montessori- en daltononderwijs, die niet zozeer kennisverwerving als wel de optimale ontplooiing van het individuele kind nastreefden en een eigen curriculum samenstelden.

Nieuwe vakken

Er kwamen nieuwe vakken, zoals muziek en gymnastiek. Geïnspireerd door onderwijsvernieuwer Jan Ligthart werden aardrijkskunde, geschiedenis en natuurles samengevoegd tot heemkunde, dat draaide om thema’s als ‘in de keuken’ of ‘onze veeteelt’. Voor al die nieuwe vakken moesten ook veel lesmethoden worden ontwikkeld. Uitgeverijen floreerden bij de lucratieve markt van leerboeken voor scholen.

Keuzevrijheid

In de jaren zeventig werd de SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling) opgericht om te zorgen voor meer eenheid in de inhoud van het onderwijs. Schoolbesturen hebben hun keuzevrijheid echter behouden. Ze mogen naar eigen inzicht invulling geven aan hoe de vakken worden ingericht. Het rijk bepaalt daarbij wel steeds meer wat er behandeld moet worden op de verschillende onderwijsniveaus.


Verkeersles

Ook nieuw in de jaren ’30: verkeersles. Zeker in de grote steden werd het verkeer steeds drukker. Kinderen moesten rekening houden met auto’s, bussen, fietsers, voetgangers en trams. De theoretische lessen werden vaak verzorgd aan de hand van een schoolplaat of maquette. De ANWB bracht in 1925 de eerste schoolplaten uit voor het verkeersonderwijs. De eerste verkeersexamens in de praktijk werden in 1937 afgenomen in samenwerking met de politie. In 1945 werd verkeersonderwijs als vak verplicht gemaakt. In sommige steden bestonden zelfs verkeerstuinen waar de leerlingen

Tekenonderwijs

Ook de inhoud van vakken veranderde in de loop der jaren. Tekenlessen verschenen vanaf 1900 op de scholen. In die periode lag de nadruk vooral op het natekenen van schoolplaten of voorwerpen. In de jaren ’60 werd creativiteit en verbeelding belangrijker. Kinderen mochten nu naar eigen inzicht een tekening maken.