Het begon met gebarentaal

Speciaal onderwijs

Vanaf de achttiende eeuw konden leerlingen met een lichamelijke handicap of psychische moeilijkheden, terecht in het speciaal onderwijs. Er kwamen steeds meer specialistische scholen. De laatste decennia wordt er echter steeds meer geprobeerd deze kinderen een plek te geven binnen het reguliere onderwijs.

De eerste dovenschool

De Rotterdamse dovenschool

De Rotterdamse arts Polano huurde in 1847 een Duitse onderwijzer in om zijn twee doofstomme kinderen te helpen in hun ontwikkeling. Doordat er steeds meer dove kinderen les kregen in het huis van de Polano’s ontstond in 1853 de ‘Inrigting voor Doofstommen-Onderwijs’. De kinderen van de Rotterdamse dovenschool kregen les volgens de Duitse methode, waarbij liplezen en praten werd aangeleerd.

Door de verlichting kwam het besef op dat goed en passend onderwijs noodzakelijk was voor alle kinderen, ook de gehandicapte. De eerste vorm van speciaal onderwijs was het dovenonderwijs. Predikant Henri Daniel Guyot kwam in Parijs in aanraking met gebarentaal. In 1790 startte hij een dovenschool in Groningen om de kinderen deze te onderwijzen. De dovenschool in Rotterdam (1853) wilde de kinderen juist leren liplezen en praten.

Hoewel het speciale dovenonderwijs een succes bleek, gingen er steeds minder kinderen naartoe. Door de verbeterde gezondheidszorg en hygiëne nam het aantal dove kinderen af. Bovendien kwamen er steeds betere gehoorapparaten op de markt. Deze ontwikkeling liet ook het blindenonderwijs zien. Blinde kinderen kregen in 1808 voor het eerst een eigen school. Maar door brillen en operaties en door het brailleschrift en de ontwikkeling van speciale computerprogramma’s konden veel blinde en slechtziende kinderen al snel goed meekomen op normale scholen.

Integratie of apart

Ondertussen was er een andere groep kinderen zichtbaar geworden, die juist steeds meer een beroep ging doen op speciaal onderwijs. Dat waren de kinderen met gedragsproblemen en cognitieve stoornissen. Voor de invoering van de leerplichtwet gingen zij gewoonweg of niet naar school, of deden een tijdje voor spek en bonen mee. Na 1900 moest er voor hen allemaal ook passend onderwijs komen.

Weer samen naar school

In de loop van de twintigste eeuw ontwikkelde het speciaal onderwijs zich steeds verder. In 1949 ontstond bijvoorbeeld de lom-school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Het speciale onderwijs werd steeds professioneler. Artsen, psychologen en pedagogen gingen samen met speciaal opgeleide leerkrachten deel uit maken van het team dat de kinderen begeleidde op school.

De toegenomen aandacht voor de verschillende handicaps en stoornissen zorgde er voor dat het aantal kinderen in het speciaal onderwijs sterk toenam. De vraag kwam echter op of het wel goed was voor de kinderen om zo afgescheiden te worden. Bovendien was speciaal onderwijs zeer kostbaar. De laatste jaren ligt de nadruk daarom op het integreren van het speciaal met het reguliere onderwijs.


Duitse methode

Na de ontdekking van de Duitse methode  lag de nadruk in het dovenonderwijs jarenlang op het leren liplezen en spreken. De Duitse methode moest ervoor zorgen dat doven gemakkelijker deel konden nemen aan de maatschappij. Nu wordt ook het nut van gebarentaal erkend omdat het doven de gelegenheid geeft met elkaar te communiceren. Kinderen leren nu zowel het spreken en liplezen als gebarentaal aan