De vijf academies

De voorlopers van de moderne universiteit

Tijdens de Nederlandse opstand tegen de Spanjaarden ontstonden de eerste universiteiten in de Noordelijke Nederlanden. Voorheen moesten jongens na de Latijnse school een studie volgen in Italië, Frankrijk of Engeland. In de zeventiende en achttiende eeuw konden ze in Leiden, Franeker, Groningen, Utrecht en Harderwijk terecht.

De vijf academies

Leuven

De eerste universiteit of academie in de lage landen werd in 1425 in Leuven gesticht. Doordat Leuven tijdens de Nederlandse opstand in in Spaanse handen bleef, moesten de Noordelijke Nederlanden zelf een universiteit stichten. De keus viel op Leiden, die net dapper het Spaanse beleg van de stad had doorstaan en bovendien centraal gelegen was.

In 1575 kreeg Leiden als eerste stad een universiteit. Deze bestond uit vier faculteiten. Na de Latijnse school gingen de beginnende studenten eerst naar de ‘artes’ of filosofische faculteit. Hier werden vakken gegeven als Latijn, Grieks, Hebreeuws, filosofie, geschiedenis en wiskunde. Daarna konden zij hun studie vervolgen bij de faculteiten rechten, medicijnen en theologie. In deze richtingen konden ze ook promoveren.

Andere Nederlandse gewesten wilden ook eigen hoger onderwijs. In de volgende decennia werden academies gesticht in Franeker, Groningen, Utrecht en Harderwijk. De universiteit in Leiden bleef echter het meest populair, ook al was promoveren in Leiden relatief duur. Ook buitenlandse studenten trokken graag naar Leiden voor hun bul.

Illustere scholen

Naast de academies bestonden er ook illustere scholen; een schooltype in het hoger onderwijs dat tussen de Latijnse school en de universiteit in zat. Op een illustere school was het niet mogelijk om te promoveren. Het voordeel was dat deze scholen geen rekening hoefden te houden met de eisen van de academische wereld, en zo konden inspelen op de behoeften van de lokale samenleving.

Moderne universiteiten

De universiteiten begonnen rond 1800 een wat kwijnend bestaan te leiden. De studentenaantallen waren sterk gedaald. De academies in Franeker, Harderwijk en Utrecht hielden bij keizerlijk decreet op te bestaan in 1811. Twee jaar later kreeg de universiteit van Utrecht haar rechten weer terug.

In de loop van de negentiende eeuw, en vooral na de invoering van de wet op het Hoger Onderwijs in 1876, gingen de universiteiten weer groeien. Naast de drie oude academies mocht ook het Amsterdamse Athenaeum Illustre zich nu universiteit noemen. Latijn werd afgeschaft als voertaal. De studenten waren nu afkomstig uit bredere lagen van de bevolking. Ook steeds meer vrouwen kozen voor een studie aan de universiteit.

Belangrijker was dat vanaf de negentiende eeuw universiteiten zich steeds meer toelegden op wetenschappelijk onderzoek. De Nederlandse universiteiten gingen, net als in de zeventiende eeuw, weer tot de voorhoede van de academische wereld behoren.

Handtekening

Toen de opstandige Noordelijke Nederlanden een eigen protestantse universiteit wilden stichten, stuitten ze op een probleem. Officieel kon alleen de soeverein vorst dit doen, toentertijd nog altijd de rooms-katholieke Spaanse Filips II. Door de acte fictief op zijn naam te zetten, werd dit probleem opgelost. Geconfisqueerde kloostergoederen zorgden voor het geld. In 1575 kon de Leidse universiteit  vervolgens zijn deuren openen.