De strijd om de school

De Lager-onderwijswet van 1857

In de Onderwijswet van 1806 was het neutraal openbaar onderwijs vastgelegd. Tot onvrede van de orthodox-protestanten, rooms-katholieken en joden. Met zijn onderwijswet hoopte minister Justinus van der Brugghen hen in 1857 tegemoet te komen, maar de schoolstrijd barstte toen pas echt los.

Justinus van der Brugghen

Réveilbeweging

Van der Brugghen en Groen van Prinsterer waren beiden aanhangers van de protestantse Réveilbeweging. Ze waren politieke vrienden. De politici waren het echter niet met elkaar eens over de verhouding tussen politiek, geloof en onderwijs.

Van der Brugghen vond dat de staat neutraal moest zijn, Groen van Prinsterer was juist tegen een scheiding van kerk en staat.

Het meningsverschil zou hen uiteindelijk uit elkaar drijven.

Van der Brugghen (1804-1863) wilde er met de Lager Onderwijswet van 1857 voor zorgen dat alle partijen tevreden zouden zijn. De overheid zou blijven zorgen voor neutraal openbaar onderwijs, daarnaast kregen ouders de vrijheid bijzondere scholen te stichten. Deze bijzondere scholen zouden dan door de ouders zelf gefinancierd moeten worden. Van der Brugghen wilde op deze manier de orthodox-protestanten, rooms-katholieken en joden tegemoetkomen, die niet tevreden waren met het ‘algemeen christelijk’ onderwijs uit 1806.

Groen van Prinsterer

Hun belangrijkste man in het parlement, de antirevolutionaire Groen van Prinsterer, was echter niet te spreken over deze ‘discriminerende’ regeling ten opzichte van de religieuze groeperingen. Hij vond dat het openbaar onderwijs onderverdeeld moest worden naar de verschillende religieuze stromingen: in openbaar protestants, openbaar katholiek en openbaar joods onderwijs. Zijn wens werd niet ingewilligd. Zwaar teleurgesteld hield hij zich voortaan afzijdig van de politiek.

Bijzondere scholen

Hoewel de nieuwe wet bijzondere scholen toestond,  werden er weinig nieuwe scholen gesticht. Het openbaar onderwijs was immers een stuk goedkoper. Wel ontstonden er allerlei verenigingen die campagne voerden voor de financiering van de bijzondere scholen. Groen van Prinsterer richtte met zijn aanhangers de Vereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs op. Ook de rooms-katholieken organiseerden zich.

Pacificatie

De orthodox-protestanten en rooms-katholieken begonnen samen op te trekken in hun strijd voor de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. De katholieken hadden Schaepman als voorman en de orthodox-protestanten Abraham Kuyper, de opvolger van Groen van Prinsterer. De acties hadden succes. De Grondwet werd in 1917 herzien en de financiering van bijzondere en openbare scholen werd gelijkgesteld. Met de nieuwe Lager Onderwijswet van 1920 was de pacificatie van de schoolstrijd een feit.

Artikel 23

Artikel 23, onderdeel van de Grondwet, regelt de vrijheid van onderwijs in Nederland. Nederland is met de vrijheid en financiële gelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs uniek.


Bijzonder onderwijs

Als bijzondere scholen golden in de negentiende eeuw scholen waar leerstellig godsdienstonderwijs gegeven werd. Onder bijzondere scholen verstaan we tegenwoordig nog altijd scholen waar les wordt gegeven op een religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals protestants-christelijke, katholieke, joodse, antroposofische of islamitische scholen, maar ook bijzonder-neutrale scholen als de Jenaplan-, Dalton- en Montessorischolen.