De schoolopziener komt eraan

De betekenis van Adriaan van den Ende

Onderwijs was vanaf 1800 een taak van de nationale overheid. Als landelijk onderwijsinspecteur was Adriaan van den Ende nauw betrokken bij de onderwijsvernieuwingen. Hij was de drijvende kracht achter de Onderwijswet van 1806 waarmee de overheid in kwalitatief goed openbaar onderwijs wilde voorzien.

Schoolopzieners

Zedelijk gedichtje

Versjes waarin deugden en zeden werden benadrukt werden in deze periode veel gebruikt op scholen. Een gedichtje uit ‘Moeder Anna’ van Van Heyningen Bosch.

‘Wees vlijtig mijn liefjes!
Dan wordt gy ras groot,
En hebt dan voorzeker,
Ook altijd uw brood.
De luiaard moet bed’len,
Veracht van elk een:
Een kommerloos leven,
Geeft de arbeid alleen.'

De nieuwe onderwijswetgeving veranderde veel in het Nederlandse onderwijs. De overheid vond het belangrijk dat de kwaliteit van het onderwijs zou verbeteren. Ieder kind in Nederland moest goed onderwijs krijgen.

Om dat voor elkaar te krijgen werden er schoolopzieners aangesteld. De schoolopzieners bezochten scholen en hielden zich niet alleen bezig met de kwaliteit van de onderwijzers, maar controleerden ook of de schoolgebouwen en -lokalen in orde waren.

Adriaan van den Ende speelde hierbij een belangrijke rol. Hij onderhield contact met de verschillende schoolopzieners om op de hoogte te blijven van de kwaliteit van het onderwijs in het hele land.

Het leerstellig onderwijs, waarbij kinderen psalmen en Bijbelteksten uit het hoofd moesten leren,  maakte plaats voor een algemeen christelijk schoolprogramma. Het algemeen christelijk onderwijs werd gezien als neutraal. De verschillende kerken moesten zelf zorgen voor extra lessen om bijvoorbeeld Bijbelteksten te leren.

Onderwijsacte

Om de kwaliteit van onderwijs te garanderen moesten onderwijzers een onderwijsakte behalen. Ook was een bewijs van goed gedrag voortaan verplicht. De examens voor de onderwijsakte werden afgenomen door de schoolopziener of door een onderwijscommissie van één van de provincies. Mannelijke onderwijzers konden examen doen op vier verschillende niveaus, voor vrouwen was er slechts één niveau. Scholen namen vervolgens nog een vergelijkend examen af.  Degene die de beste was in rekenen, ontleden, schoonschrift en het schrijven van een opstel, werd aangenomen als onderwijzer.

De onderwijzers moesten een nieuwe manier van lesgeven aanleren. Het klassikale onderwijs deed zijn intrede. Het hoofdelijk onderwijs, waarbij de leerlingen naar de lessenaar van de onderwijzer kwamen, werd vervangen door het klassikaal uitleggen van de lesstof. Hoewel er kinderen van verschillende leeftijden nog altijd in één lokaal zaten, verliepen de lessen efficiënter en met meer structuur. De leerlingen werden op leeftijd en niveau gerangschikt.



Een fragment uit het ‘Vaderlandsch A-B Boek voor de Nederlandsche Jeugd’ van J.H. Swildens

‘Neerland is uw Vaderland.
Veilig woont ge ‘er in.
Als gy later groot zyt,
Woont gy ook dáár in.’
‘Burger, gy beschermt de stad.
Stel hierin uw eer.
Dit moet ieder Burger doen, ook de grootste Heer.'