De onderwijswethouder

Wie betaalt en bepaalt de school?

De brede school, de voorschoolse educatie, het tegengaan van spijbelen en voortijdige schooluitval, het zijn allemaal initiatieven uit de koker van de onderwijswethouder. De afgelopen decennia heeft de gemeente naast het rijk en het schoolbestuur een nieuwe rol in het bestuur van het onderwijs veroverd.

Lokale overheid

De Vensterschool

De Groningse onderwijswethouder Hendrik Jan Pijlman kwam in de jaren ’90 met het idee van de Vensterschool. Hij was geïnspireerd door Deense initiatieven. In de Vensterschool werken verschillende partijen die te maken hebben met kinderen met elkaar samen, zoals  kinderopvang, jeugdzorg, sport en cultuur. Tegenwoordig vinden we in heel Nederland van dit soort scholen, meestal Brede Scholen genaamd.

Tot de negentiende eeuw was het onderwijs vooral een zaak van de lokale overheid in samenwerking met de kerk. Nadat in 1795 de nationale eenheidsstaat in het leven werd geroepen, gingen onderwijswetten zorgen voor de organisatie en controle op het onderwijs. De zwaarste financiële lasten bleven nog wel lang bij de lokale overheid liggen.

Stijgende kosten, stijgende invloed
Door onder meer de Leerplichtwet, de toename van het aantal schooltypes, en de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs rezen de onderwijskosten na 1900 de pan uit. De lokale overheden konden het niet meer alleen bolwerken, en de nationale overheid nam steeds meer de financiering over. Tegelijkertijd begon ze ook steeds meer inhoudelijk te sturen, ten koste van de zeggenschap van de gemeente.

Wisselende invloeden op het onderwijs
Uit bezuinigingsoverwegingen begon de nationale overheid vanaf de jaren zeventig en vooral de jaren negentig weer met het teruggeven van onderwijstaken aan de gemeenten. Sinds de laatste eeuwwisseling heeft de lokale overheid echter weer veel invloed verloren, doordat de schoolbesturen steeds meer te zeggen kregen. De onderwijsbestuurders krijgen geld van de overheid, dat ze naar eigen inzicht mogen besteden. Ook het personeelsbeleid mogen ze zelf regelen.

Gevolgen
De schoolbesturen zijn vanaf de jaren tachtig steeds groter en autonomer geworden: soms bestaan de organisaties uit vele tientallen scholen. De centrale overheid is veranderd van een sturende in een controlerende partij, die vooral de kwaliteit van het onderwijsaanbod in de gaten houdt. De gemeenten hebben nog maar weinig wettelijke bevoegdheden, maar proberen toch betrokken te blijven bij het lokale onderwijs. Ze zoeken daarbij naar samenwerking met de schoolbesturen. De opkomst van de brede scholen laat zien hoe dat uit kan pakken.

Gemeenten

Gemeenten kregen vanaf de jaren ’90 steeds meer verantwoordelijkheden op het gebied van onderwijs. Zo moesten zij voortaan de huisvesting van de scholen regelen, maar ook het schoolverzuim, schooluitval en inburgering regelen. Bovendien zijn zij ook verantwoordelijk voor achterstandenbeleid, sociaal-cultureel werk en voorschoolse opvang.