De Mammoetwet

De democratisering van het onderwijs

Met de Wet op het voortgezet onderwijs wilde onderwijsminister Jo Cals in 1963 een einde maken aan de versnippering in het voortgezet onderwijs. De enorme reikwijdte van de plannen gaf de plannen al snel de bijnaam ‘Mammoetwet’.

Eén stelsel

Mammoet

De naam van de wet is te danken aan het ARP-kamerlid Anton Roosjen, die het er niet mee eens was. „Laat die mammoet maar in het sprookjesleven voortbestaan,” had deze gezegd. De term Mammoetwet werd zo een bijnaam voor de Wet op het voortgezet onderwijs.

Het middelbaar onderwijs was rond 1960 sterk verbrokkeld. De verschillende onderwijstypen sloten niet op elkaar aan. Kinderen kwamen vaak automatisch terecht in het traject dat bij hun milieu paste. De elite ging naar de universiteit. Arbeiderskinderen kwamen terecht in het nijverheidsonderwijs of de (m)ulo, hoe slim ze ook waren. Veel talent bleef daardoor onbenut. Minister Cals vond het wenselijk dat de doorstroming naar andere onderwijstypen werd bevorderd. Het samenvoegen van de verschillende onderwijstypen in het voortgezet onderwijs in één stelsel leek de ideale oplossing. 

Doorstroming

Om te zorgen voor een betere doorstroming ging het voortgezet onderwijs op de schop. De verschillende onderwijstypen werden gehuisvest in scholengemeenschappen. Het voortgezet onderwijs begon voortaan in de brugklas. Daar kon de leerlingen wennen aan een nieuwe omgeving en vervolgens doorstromen naar het meest geschikte onderwijs. De mulo, hbs en mms moesten het veld ruimen. In de plaats kwamen nieuwe schooltypes.

Het lager beroepsonderwijs, vanaf de jaren negentig voorbereidend beroepsonderwijs, bevatte de technische, ambachts- en huishoudscholen. Een diploma van één van deze scholen gaf toegang tot het middelbaar beroepsonderwijs. Maar ook met een mavo-diploma kon je naar het middelbaar beroepsonderwijs. Een havo-diploma gaf toegang tot het hoger beroepsonderwijs. Gymnasium, atheneum en lyceum gingen op in het zesjarige vwo-traject dat voorbereidde op de universiteit.

Middenschool

De Mammoetwet zorgde ervoor dat leerlingen beter konden doorstromen en meer keuzevrijheid hadden. Toch was er ook kritiek. Nog steeds zouden kinderen uit arbeidersmilieus niet genoeg kansen krijgen om toegelaten te worden tot de hogere niveaus van het voortgezet onderwijs:  het beroepsonderwijs was te veel afgescheiden van het algemeen vormende onderwijs, oftewel mavo, havo of vwo.

Onderwijsminister Van Kemenade pleitte in de jaren zeventig voor de invoering van de middenschool, waarbij de schoolkeuze drie of vier jaar werd uitgesteld. Het werd geen succes. In de basisvorming uit 1993 werd nog één keer geprobeerd de idealen ervan vorm te geven. In 2005 werd echter ook deze vernieuwing teruggedraaid. Vergeleken met kinderen landen als Frankrijk en de Verenigde Staten moeten Nederlandse kinderen daardoor op behoorlijk jonge leeftijd een onderwijsroute kiezen, die bepalend is voor hun toekomst.