De Landbouwhogeschool

De emancipatie van de praktische wetenschappen

Landbouw leerde je het beste in de praktijk, was van oudsher het idee. Pas aan het einde van de achttiende eeuw werd voor het eerst nagedacht over landbouwonderwijs, maar het zou nog heel lang duren voor het ook op de universiteit een plek kreeg.

Hoger en middelbaar onderwijs

Landbouwonderwijs door predikanten

In 1786 verscheen het ‘Landbouwkundig Schoolboek’. In dit boek pleitte de schrijver, J.F. Muller, ervoor om predikanten en dorpsonderwijzers lessen over landbouw te laten verzorgen. In 1815 zorgde een Koninklijk Besluit ervoor dat studerende predikanten verplicht colleges landhuishoudkunde moesten volgen. In 1830 werden de verplichte colleges in de landbouw afgeschaft, tot opluchting van de predikanten.

Terwijl de universiteit in die begintijd wel een initiërende rol speelde. Docenten van de Rijksuniversiteit Groningen richtten in 1842 de Landbouwhuishoudkundige school op voor zoons van Groningse boeren. In de zomer kregen ze les in de praktijk op een boerderij, in de winter kwam de theorie aan bod. De Groningse boeren vonden het echter beter als hun zoons het vak op de eigen boerderij leerden. De school werd bovendien nooit wettelijk erkend en stopte in 1871.

Wageningen

Een aantal jaar later, in 1876, werd opnieuw geprobeerd het landbouwonderwijs vorm te geven. De Rijkslandbouwschool in Wageningen startte met een driejarige hbs en een tweejarige kopstudie. De 32 studenten die in het eerste jaar startten kregen les op een perfecte locatie voor landbouwonderwijs, midden op het platteland omringd door zand-, klei- en veengrond.

Omdat de opleiding die de Rijkslandbouwschool Wageningen verzorgde praktisch en maatschappelijk nuttig was, viel deze onder het middelbaar onderwijs. Dat het zou behoren tot het hoger onderwijs – waartoe de universiteiten behoorden – was nog ondenkbaar: dat diende zich te richten op de geest en de ontwikkeling van het zelfstandig denken.

Natuurwetenschappen

Rond 1900 kregen natuurwetenschappen echter steeds meer status en betekenis binnen de zich snel moderniserende samenleving. De overtuiging groeide dat ook de ‘praktische’ wetenschappers als beschaafde en geleerde personen dienden te worden beschouwd. Ook de technische scholen en landbouwonderwijs zouden tot het hoger onderwijs moeten behoren. In 1918 werd Wageningen erkend als academische instelling, de naam werd veranderd in Landbouwhogeschool. Bovendien kregen de afgestudeerde studenten de titel ingenieur mee.

Van hogeschool naar universiteit

Het gat tussen de – landbouw-, technische, en economische – hogescholen en de universiteiten werd steeds kleiner. De specialistische hogescholen bleven oog houden voor het praktisch nut van de opleiding, maar wilden hun studenten ook een theoretische basis meegeven. De universiteiten vonden intellectuele vorming en de ontwikkeling van de geest nog steeds belangrijk, maar legden zich ook toe op toegepaste wetenschappen.

Door een wetswijziging in 1986 mochten de hogescholen zich uiteindelijk ook universiteit noemen. De naam hogeschool bleef wel bestaan. Daarmee worden nu onderwijsinstellingen voor het hoger beroepsonderwijs aangeduid.


Rijks
Hoogere Land, Tuin- en Bosbouw School

De Rijkslandbouwschool Wageningen kreeg in 1904 de naam Rijks Hoogere Land, Tuin- en Bosbouw School. Studenten werden toegelaten met een gymnasium of vijfjarig hbs-diploma op zak. De studenten hadden de keuze uit zes verschillende studierichtingen; Nederlandse of Koloniale Landbouw, Nederlandse of Koloniale Bosbouw, Tuinbouw en landbouwtechnologie/-scheikunde. De opleiding in Wageningen duurde drie tot vijf jaar.


Van middelbaar naar hoger onderwijs

Niet alleen Wageningen behoorde lang tot het middelbaar onderwijs. Dat gold ook voor de technische scholen in Delft, Eindhoven, en Twente en de economische scholen in Rotterdam en Tilburg.