De eerste ambachtsschool

Opkomst, ondergang en terugkeer van het beroepsonderwijs

Traditioneel leerden jongeren een ambacht door de kunst af te kijken van vaklieden. Dat veranderde toen in de negentiende eeuw het beroepsonderwijs opkwam. Deze kwam naast het algemeen vormend onderwijs te staan.

 

Gilden

Wet op Nijverheidsonderwijs

In 1919 zorgde de Wet op het Nijverheidsonderwijs voor het ontstaan van huishoudscholen. Meisjes leerden hier hoe ze een goede huisvrouw moesten worden met behulp van lessen koken, boekhouden en strijken.

Later kwamen er ook speciale opleidingen voor beroepen als naaister, boekhoudster, kinderjuffrouw en apothekersassistent.

In de middeleeuwen waren de verschillende beroepsgroepen verenigd in gilden. Jongens uit de lagere klassen gingen in de leer bij een meester om een vak te leren. Voor de duur van de leertijd werd een contract afgesloten waarin de afspraken en het loon werden vastgelegd. Na het behalen van de meesterproef behoorde de leerling tot het gilde. Hij mocht zichzelf nu officieel slager, timmerman of smid noemen.

In 1798 werden de gilden opgeheven. Jongeren uit de lagere klassen bleven echter bij vaklieden in de leer om het beroep in de praktijk te leren. Door de opheffing van de gilden en het ontbreken van contracten was uitbuiting wel een reëel risico. De leertijd bestond vaak uit lange werkdagen voor weinig loon. Bovendien werden er ook geen afspraken meer gemaakt over de inhoud en duur van de opleiding.

Burgerdag- en avondschool

De overheid hield zich lang afzijdig. Zij vond het verzorgen van beroepsonderwijs niet tot haar taken behoren. Minister Thorbecke wilde met de Wet op het middelbaar onderwijs in 1863 wel algemeen vormend onderwijs bieden aan ambachtslieden en kleine landbouwers. Er was echter weinig animo voor deze burgerdagscholen. Arbeiders hadden weinig aan vakken als Frans of geschiedenis. Arbeiderskinderen waren bovendien overdag hard aan het werk. De burgeravondschool werd wel een redelijk succes, dit was beter te combineren.

Door particulier initiatief was ondertussen ook de ambachtsschool ontstaan. Deze werd in 1861 opgericht door de Maatschappij voor den Werkenden Stand. De ambachtsschool voldeed aan een duidelijke vraag. Leerlingen werden er opgeleid tot meubelmaker of metaalbewerker. Hier konden leerlingen een echt vak leren, waardoor ze later meer konden verdienen. Door de Industriële Revolutie was er bovendien steeds meer behoefte aan goed opgeleide vakmensen.

Overheidsbemoeienis

Aan het eind van de negentiende eeuw begon de overheid de noodzaak van beroepsonderwijs in te zien en ging ze deze subsidiëren. Het aantal ambachtsscholen groeide in hoog tempo. Daarnaast kwamen er voor jongens speciale scholen voor land- en tuinbouw en scheepvaart. Meisjes konden naar een kook- of industrieschool, die later werden omgezet in huishoudscholen.