De Cito-toets

Het meten van leerresultaten

De introductie van rapportcijfers in het begin van de negentiende eeuw maakte het mogelijk om de vorderingen van leerlingen bij te houden en hun resultaten onderling te vergelijken. Dankzij de invoering van de Cito-toets in het lager onderwijs anderhalve eeuw later konden ook scholen en docenten langs de meetlat worden gelegd.

Kritiek

IJver en vlijt

Bij je rapport kreeg je niet alleen cijfers voor de reguliere schoolvakken, maar vaak ook voor allerlei andere zaken.

IJver, vlijt en netheid werden ook beoordeeld.

Aan deze zaken werd  veel waarde gehecht, soms nog wel meer dan aan de daadwerkelijke schoolprestaties.

De opkomst van het klassikale onderwijs zorgde niet alleen voor de invoering van rapportcijfers, maar ook voor het tot dan toe onbekende fenomeen zittenblijven. Reformpedagogen als Jacob van Rees en Maria Montessori vonden een dergelijke benadering van kinderen maar niets. De ontwikkeling en ontplooiing van het individuele kind moest centraal staan, cijfers zorgden alleen maar voor competitiedrang en duwden kinderen in een keurslijf.

Vanuit het reguliere onderwijs was er eveneens kritiek op het zittenblijven, het rapport met cijfers en het leerstofjaarsysteem. Als leerlingen bleven zitten moesten ze alle vakken overdoen, ook de vakken waar ze wel voldoende op scoorden. Maar men vond vooral dat de beoordeling over het zitten blijven niet altijd even objectief en eerlijk gebeurde. De ene docent of school kon immers hogere eisen dan de andere stellen.

Oplossingen

Hoogleraar Adriaan de Groot kaartte in zijn boek Vijven en zessen (1966) de problemen rond de subjectiviteit in de beoordeling aan. De schooltoetsen moesten volgens hem centraal gestandaardiseerd worden, zodat ze onderling goed konden worden vergeleken.

Voor de openbare scholen in Amsterdam ontwikkelde De Groot eerst de Amsterdamse Schooltest. Toen deze een succes bleek, werd de jaarlijkse eindtoets voor de hoogste klas van de basisschool landelijk ingevoerd. De verantwoordelijkheid kwam te liggen bij het Centraal Instituut voor toetsontwikkeling (Cito). Aan de hand van de uitslagen kregen de leerlingen vervolgens advies over welk niveau in het voortgezet onderwijs bij hen zou passen.

Second opinion

Hoewel er kritiek was op de Cito-toets, leidde de invoering ervan tot betere adviezen over een geschikte vervolgopleiding. De uitslag van de Cito-toets werd een soort van second opinion, naast het advies van de leerkracht. Er wordt wel nog altijd gediscussieerd over wat zwaarder moet wegen: het advies van de basisschool of de uitslag van de Cito-toets? De eerste geeft de ervaringen weer van acht leerjaren van de leerling. De Cito-eindtoets meet de hoeveelheid kennis die een kind heeft vergeleken met alle leerlingen van groep 8 in heel Nederland.


Blijven zitten

Niet alleen rapportcijfers, ook het zitten blijven stamt uit de negentiende eeuw. Met de opkomst het klassikaal lesgeven werd een steeds betere verdeling gemaakt van niveaus. Aan het begin van de negentiende eeuw bestonden veel scholen uit één grote ruimte. Aan de ene kant stonden vaak alleen bankjes, hier zaten de jongste kinderen die alleen leerden lezen.

In het midden zaten de kinderen die iets ouder waren en begonnen met leren schrijven, zij kregen dan ook tafeltjes. Helemaal aan de andere kant zaten vervolgens de oudste kinderen met het hoogste niveau. Uit deze periode stamt ook het zitten blijven, als je na een beoordeling niet over mocht stappen op een andere rij bankjes.



Leerlingvolgsysteem

Het Cito verzorgt niet alleen de eindtoets voor het basisonderwijs, maar ook andere centrale examens waarbij leerlingen gedurende hun hele schoolperiode worden getest. Ook kleuters moeten een toets maken. Op die manier kunnen problemen en achterstanden al vroeg geconstateerd worden en kunnen leerkrachten met de informatie aan de slag.