Afke's tiental

De invoering van de leerplicht

Afke’s tiental (1903) beschrijft een straatarm Fries landarbeidersgezin, waarvan de kinderen al vroeg uit werken moeten. Ook in de fabrieken in de steden is kinderarbeid in de negentiende eeuw lang schering en inslag. Verschillende wetten probeerden hier een einde te aan maken, met de Leerplichtwet van 1900 als symbolisch slotakkoord.

Kinderwetje van Van Houten

Fragment

“Maar Wiepkje had het druk. Ze goot een ketel kokend water uit in een tobbe, die in 't portaal stond, en deed er zoveel koud bij, als nodig was. Daarin werden nu de broeken van alle jongens te week gezet; - ook Jouke moest de zijne afstaan; - en meteen alle sokken en kousen. Met groene zeep werd eerst alles fris uitgewassen en daarna de broeken met zwarte verf afgeborsteld. Nu was alles schoon, maar - 't moest de volgende morgen weer droog zijn! De sokken werden in de oven gelegd, en de broekjes kwamen voor en boven en om de kachel te hangen. Gelukkig dat er genoeg turf was. Want de kachel moest nu de hele nacht doorbranden!”

Afke’s tiental paste perfect in de toenmalige tijdsgeest waarin men steeds meer ging nadenken over sociale misstanden. De samenleving in Nederland was sterk geïndustrialiseerd. De fabrieksarbeiders leefden vaak onder erbarmelijke omstandigheden in kleine, slecht geventileerde huisjes met grote gezinnen. Heel het gezin moest zorgen voor het inkomen, ook kinderen werkten mee in de fabrieken. Buiten de steden maakten kinderen vaak lange dagen door te werken op het land.

De burgerij besefte dat er iets aan de situatie van de allerarmsten gedaan moest worden. De oplossing zag men voor een groot gedeelte in onderwijs. In de politiek ontstond een discussie over het afschaffen van kinderarbeid en het verplicht stellen van onderwijs. Het kinderwetje van Van Houten uit 1874 verbood fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar. Kinderen mochten nog wel werken op het land of in en rondom het huis, maar ook dat werd steeds meer aan banden gelegd.

De leerplicht
Met de invoering van de  leerplichtwet was Nederland in vergelijking met andere Europese landen erg laat. Dat gebeurde pas in 1900. Vooral de schoolstrijd gooide roet in het eten. De confessionele partijen wilden alleen instemmen met een leerplichtwet als ook bijzonder onderwijs gesubsidieerd zou worden.

Maar ook de socialistische SDAP stemde tegen de leerplichtwet. Ze  vond dat de leerplichtwet niet ver genoeg ging. Er werd bovendien niet voldoende rekening gehouden met de inkomsten die arbeidersgezinnen zouden gaan missen doordat hun kinderen niet meer mochten werken. Uiteindelijk werd de leerplichtwet aangenomen met een nipte meerderheid: 50 stemmen voor en 49 stemmen tegen.

Kinderarbeid
In feite was de leerplichtwet een bevestiging van de al bestaande praktijk. Al voor de invoering van de leerplicht, waren er steeds meer kinderen geregeld naar school gegaan. De leerplicht verminderde wel het vroegtijdig schoolverlaten en zorgde ervoor dat de kinderen regelmatiger naar school gingen. Voor kinderen op het platteland was zes weken landbouwverlof nog wel toegestaan. Zij konden in de periode hun ouders helpen op het land.


Fragment uit Fabriekskinderen, doch niet om geld van J.J. Cremer uit 1863

Cremer bezocht Leidse fabrieken en schrok van de slechte omstandigheden waarin de kinderen dag in dag uit moesten werken.

"Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat foos en flets gezigtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes - wat zeg ik, een kind van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt bij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en - angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder,erg valsch! erg valsch en gemeen!"


Leerplichtwet

De leerplichtwet van 1900 werd aangenomen met één stem verschil. De doodzieke liberaal van Kerkwijk werd met een rijtuig naar het Binnenhof gebracht om voor de wet te kunnen stemmen. Baron Schimmelpenninck, die tegen de leerplicht was, viel op weg naar de Tweede kamer van zijn paard en kon daardoor niet tegen de leerplicht stemmen. In heel Nederland werd dit versje gezongen:
“Baron Schimmelpenninck en zijn biek
Doen beiden aan politiek.
De baron zei: ‘Tegen zonder manco.’
De schimmel zei:‘wij stemmen blanco.’
Zo werd Borghesius’wet
Door paardenpolitiek gered.”